zondag 15 juni 2008

DE BLAUWE VROUW

De muren en het dak van haar huis houden zich angstvallig aan elkaar vast. Kreunend vanuit de kieren en piepend vanuit de hoeken. De vrouw dwaalt naakt en glanzend door de kamers van het huis. Bladeren plakken aan haar vochtige huid, dwarrelen neer aan haar voeten op plekken waar ze langzaam opdroogt. Erfenis van haar nacht in het woud, waar ze danste met de Duivel zelf. Schaamteloos. Een herinnering vol voldoening. En het onbevreesde flirten met alle wolven van de nacht, waarvan ze alleen de gele ogen had zien fonkelen. Kom maar! Ze voelt nog koel mos onder haar blote voeten, hoewel ze weet dat het piepen bij elke stap die ze in de kamers zet, afkomstig is van de houten planken. Er zitten nog grassprietjes tussen haar tenen. Ze schudt honderd-en-twee vergeet-me-nietjes uit haar blauwe haar en opent het zolderraam om de langzaam zakkende maan te kunnen zien, zonder glas ertussen. Bleek-geel licht valt in een vierkant op haar lijf. Met violette ogen kijkt ze naar de volle nacht-bol. Vriendin. Tot morgen! Tot morgennacht! Dalen, dalen, de zoldertrap weer af. Huis. Thuis. En toch zo’n vreemd oord. Ze ziet de kamers stuk voor stuk voor het eerst. Telkens opnieuw. De Kamer van Pijn, zo vertrouwd bijna, maar toch nieuw en niet meer zó vreeswekkend. De Kamer van Plezier, waar alles oranje is en waar de ramen wijd open kunnen, waardoor alle glinsterende en rinkelende versiersels bewegen in het binnenstromende briesje. Slingers! Ze zal nog slingers ophangen hier. De Kamer van Twijfel, waarvan de vloer láng niet waterpas is, en de wanden niet loodrecht. En dan de Keuken, de Keuken… Haar diepste domein, waar altijd een ketel op het vuur staat voor wie er eventueel ook langs zou kunnen komen…als het mag. De vrouw roert negen maal opdat het brouwsel zijn kracht zal behouden. Betovering op het Vuur. De Kamer vol Boeken, waar ze nooit leest, want de woorden en zinnen zijn er tóch al, maar waar ze wel altijd rustig wordt. Even vertoeven… En als ze heel, héél stil is, stil genoeg, dan hoort ze de boeken fluisteren en zuchten over alle gedachten en verhalen die ze herbergen en beetje bij beetje prijsgeven aan de goede verstaanster. Ze dwaalt door de Lange Gang. Die is behekst, want ze hoort daar altijd voetstappen klinken, alsof er iemand de trap opkomt. Wie?! Bonzende hartslag. Kloppende slapen. Maar er is niemand. Kaarsen branden. Altijd als ze thuis komt. Dat doet het huis zélf. Voor haar. Glimlach. Reflectie. Een spoor van gevallen bladeren heeft ze achtergelaten tijdens het dwalen. Tijdens het laatste drinken van de nacht. Haar huid is weer van koper. Ogen diep paars. Mond nachtrood. De maan gaat onder. Ze gaat naar de Kamer van Slaap, want het begint bijna licht te worden. Tijd voor de droom van de dag, het doezelen, het soezen. Het zacht meedeinen op de bewegingen van de slaperige illusies. Slaap zacht. Slaap zacht. Tot morgennacht!

Geen opmerkingen: